Camping

Natuurcamping De Lemeler Esch

Omstreeks 1830 werden vele heidevelden rond de Lemelerberg tot ontwikkeling gebracht voor ontginning. De Parkweg, de zandweg die nu aan de achterkant van de camping loopt, werd in de volksmond de “autoweg” genoemd. De strook heide aan de Archemer kant van de autoweg werd Kiezemaats Hoek genoemd. De gronden waren in het bezit van de familie van der Wijck. Waarschijnlijk heeft die familie omstreeks 1830 hier huisjes laten bouwen, waar medewerkers die bij de ontginning hielpen konden wonen. Waar nu de camping is woonde toen Schuurman, en ook namen als Kiezeman, Blikman en Touw Jan werden aangetroffen. Rond 1960 woonde de familie Krul op het oude huis van Schuurman en zij zijn hier begonnen met het ontvangen van gasten. Daar is toen Vakantieoord De Lemeler Esch uit geboren. Derk Krul heeft voor die tijd een vooruitstrevend bedrijf met zwembad en sauna neergezet. Ook kreeg de plaatselijke voetbalclub hier een voetbalveld met kleedruimte en toiletten. Een andere anekdote is dat in een strenge winter, bij gebrek aan strooizout het veld achter de receptie afgegraven is zodat het zand verkocht kon worden om de wegen te bestrooien. Op dat lager gelegen veld was langzaam een grote steen bloot komen liggen, die nu op het terras ligt. In 1982 hebben de huidige eigenaren, Tinus en Wilma Ellenbroek, de camping gekocht van familie Krul.

Historisch landschap

Door Martijn Horst – Landschap Overijssel, 2019

Het natuurlijke landschap

De Lemeler Esch ligt op de overgang van de stuwwal naar de dekzanden gronden en de lager gelegen gronden van de Regge. Stuwwallen zijn de oudste landschappelijke relicten die te vinden zijn in Overijssel. Ze stammen uit de voorlaatste ijstijd (200.000- 125.000 jaar geleden). Noord-Nederland was vanuit Scandinavië bedekt met een enkele honderden meters dikke ijskap en aan de randen van die ijskap werden lokaal aardlagen opgestuwd; de stuwwal. De zand-, grind-, en kleilagen uit de oorspronkelijke bodem kwamen door dat proces scheef naast elkaar te liggen. Op de Lemeler Berg is dit nog goed te herkennen. Hierdoor komt het voor dat binnen een stuwwal voedselrijke en voedselarme en waterdoorlatende en ondoorlaatbare lagen elkaar afwisselen. Bovenop de stuwwallen liggen smeltwaterdalen, ontstaan na het smelten van het landijs. Ten noorden van de Lemeler Esch is een behoorlijk groot smeltwaterdal aanwezig. Andere bekende smeltwaterdalen in de omgeving zijn het Grote en Kleine Ravijn in Park 1813.

Prehistorische bewoning

Door opgravingen in de afgelopen decennia is er meer bekend geworden over de vroegste bewoningsgeschiedenis van het stuwwallandschap. Meestal gaan de sporen van menselijke activiteit terug tot de oude steentijd, waarin groepen nomadische jagers-verzamelaars op de hoge gronden verbleven, waaronder rendierjagers (13.000-10.000 v.Chr.). Sporen van kampementen van jagers-verzamelaars uit de middensteentijd (8800-4900 v.Chr.) zijn plaatselijk ook talrijk. In de jonge steentijd schakelde de mens over op landbouw en vestigde zich op vaste plekken. Stukken bos werden gekapt om akkers aan te leggen. Voor de Lemelerberg is weinig van deze periode bekend. Wat sinds kort wel bekend is, is dat aan de westkant van de Lemelerberg een groot raatakkercomplex uit de ijzertijd heeft gelegen. Deze zijn slechts heel beperkt bovengronds waar te nemen. Echter, ondergronds moeten er nog ontzettend veel sporen van nederzettingen en graven terug te vinden zijn.

Ontginning vanaf de Middeleeuwen

Na de Romeinse tijd liep de bewoning wel terug, maar raakte de regio zeker niet ontvolkt. In de Karolingische tijd (8ste-10de eeuw) werden de flanken van de stuwwallen ontgonnen en ontstonden de huidige dorpen. Archem en Lemele stammen uit deze perioden. De akkers lagen op hogere kopjes dicht bij de boerderij in grotere complexen, de essen of enken. In dit geval onstonden de Archemmer Esch en de Lemeler Esch. De lagere delen langs de Regge werden gebruikt als weiland of hooiland. De onontgonnen gronden bovenop de stuwwal werden gemeenschappelijk gebruikt als heidevelden; het Archemerveld en het Lemeler Veld. De grote zwerfsteen bovenop de Lemelerberg was daarbij de grens tussen beiden. Veeteelt leverde mest en stond in dienst van de akkerbouw. Rondom de Lemeler Esch stonden daarvoor minstens elf schaapskooien. Bij de Archemer Esch moet dat ook het geval zijn geweest, maar dat is niet meer te achterhalen. Door eeuwenlange bemesting met potstalmest, die vermengd werd met heideplaggen, grasplaggen of bosstrooisel kwamen de essen hoger dan de omgeving te liggen. Op gedegradeerde heidevelden ontstonden stuifzanden, zowel in het noorden als in het zuiden van de Lemelerberg. In de loop van de middeleeuwen ontstonden de marken of markegenootschappen. Marken werden opgericht om de woeste gronden te beschermen tegen illegale en ongewenste ontginningen. De toen aanwezige boerenbevolking sloeg de handen ineen om nieuwkomers te weren. Elke boer had een waardeel in de marke: een evenredig recht om vee te weiden en heideplaggen te steken op de gemeenschappelijke markegronden (de graslanden, heidevelden, venen en bossen). De beperkte uitbreiding die wel mogelijk was voor boerderijen werd op de mindere gronden toegestaan. Op die manier ontstonden de ‘hoeken’ met drie of vier keuterboerderijen en meestal een wallenstelsel eromheen. Camping De Lemeler Esch ligt in de Kiezemaatshoek in Archem.

Ontwikkeling vanaf de Nieuwe Tijd

Nadat in de negentiende eeuw de markegronden, door de komst van het kunstmest, hun functie verloren, werden vaak grote oppervlakten naaldbos aangelegd. Park 1813 is hier een goed voorbeeld van. Aangelegd als Nationaal Vrijheidspark, maar mogelijk gemaakt door het opkopen van oude markegronden. Ook op de rest van de Lemelerberg werd bos aangeplant. Een groot gedeelte van de heide groeide daarna tevens spontaan dicht.